De ongelooflijke overleefverhalen uit de jungle: hoe een jonge vrouw de val overleefde van een vliegtuig in de Amazone

Spread the love

De omstandigheden van de ramp

De overlevingskansen bij een mid-air explosie van een vliegtuig zijn extreem klein, bijna onvoorstelbaar. Toch begon voor Juliane Koepcke, een 17-jarig meisje, op 24 december 1971 een ongelooflijk verhaal van overleving, toen zij uit een vliegtuig stortte vanaf een hoogte van drie kilometer boven de grond. Dit was slechts het begin van haar strijd om te overleven.

Het was kerstavond. Juliane en haar moeder zaten aan boord van een vlucht van Lima, de hoofdstad van Peru, naar Pucallpa in het binnenland. Haar moeder wilde de reis afleggen om haar man, Juliane’s vader, in Pucallpa te ontmoeten, maar Juliane pleitte ervoor om nog langer te blijven, zodat ze een schoolbal en eindexamen kon bijwonen. Tijdens de vlucht, midden op de dag, vloog het vliegtuig door het Amazonegebied toen het in een donkere wolk terechtkwam en door een blikseminslag getroffen werd. Hoewel bliksemschichten op passagiersvliegtuigen normaal gesproken ongevaarlijk zijn, veroorzaakte deze inslag een brand in de motor van het toestel.

De val en de eerste overleving

Volgens Juliane viel het vliegtuig in een schok en begon het te dalen. Ze herinnerde zich dat alles toen zwart was en dat mensen begonnen te gillen. Even later hoorde ze het lawaai van de motoren, dat plotseling stopte. Vervolgens bevond ze zich buiten het vliegtuig, in vrije val, vastgegespt aan haar stoelbank en ondersteboven hangend. Het enige geluid dat ze kon horen, was het fluisteren van de wind.

Ze zag haar moeder en een passagier aan de tegenovergestelde kant uit hun stoelen worden gegooid en werd zelf in een dodelijke duik meegezweept, vastgegespt aan de raamisolatie van een rij van drie stoelen. Ondanks dat een val van 30 meter doorgaans dodelijk is, dook Juliane vanuit een hoogte van meer dan 300 meter zonder parachute. Haar enige bescherming was haar stoelriem, en tot haar verbazing werkte dat perfect. Ze kwam terecht in de boomkruinen van de jungle, waar haar val werd afgeremd door de dikke bladeren en takken, waardoor haar dood werd voorkomen. Ze liep alleen een gebroken sleutelbeen, een gezwollen oog, een gescheurde knieband, een gebroken scheenbeen en verwondingen aan haar armen en benen op.

Herstel en besef van de situatie

Na de landing was Juliane enkele uren bewusteloos en had ze last van duizeligheid, waardoor ze moeilijk kon staan. Toen ze haar bewustzijn terugkrijgde, drong de aanwezigheid van haar situatie door. Ze bevond zich midden in het oerwoud, zonder dat iemand haar kon helpen. Ze had haar bril en een sandaal verloren en droeg slechts een mouwloze jurk. Ondanks haar jonge leeftijd en de gevaarlijke omstandigheden, bleek zij wellicht de enige 17-jarige Duitse in de wereld die onder zulke extreme omstandigheden kon overleven in het regenwoud.

De crashsite en haar achtergrond

Juliane werd geboren in Peru, maar haar nationaliteit was Duits. Haar vader, Hans-Wilhelm, was een bekende bioloog en haar moeder, Maria, was een baanbrekende ornitholoog. Voordat de ramp plaatsvond, had ze anderhalf jaar met haar ouders doorgebracht op hun onderzoeksstation, slechts 48 kilometer van de crash. Ze wist dat het regenwoud niet zo gevaarlijk was als men vaak denkt, ondanks dat het vol zat met giftige slangen, giftige kikkers, krokodillen, anaconda’s en elektrishelen. Zonder haar bril moest ze uiterst voorzichtig zijn. Ze gooide haar sandaal telkens voor elke paar stappen naar voren om slangen weg te jagen, maar dat maakte haar bewegingen traag en moeizaam.

Ze bracht een dag door met zoeken naar haar moeder, zonder succes. Daarna vond ze een zakje met snoep, dat ze de komende tien dagen zou eten. Ze herinnerde zich haar vaders advies: koers bepalen door een beekje te volgen, omdat dat naar een groter water zou leiden. Eindeloos volgen van de stroom maakte het haar mogelijk om het terrein te vermijden, al was dat niet zonder gevaar. Soms zag ze een krokodil op de rivierbank en kroop die richting haar, maar ze was niet bang. Ze wist dat krokodillen zelden mensen aanvielen. Tijdens haar zoektocht hoorde ze wel de vliegtuigrompen en de zoekvluchten, maar door de dichte jungle kon ze de vliegtuigen niet zien. Na enkele dagen stopten de geluiden echter.

Medische complicaties en ontmoetingen in het oerwoud

Een van haar verwondingen raakte geïnfecteerd doordat een vliegenpoep zijn eieren legde in een wond op haar arm, waarna maden haar vlees begonnen te eten. Ondanks inspanningen kon ze de maden niet uit de wond krijgen en vreesde dat de infectie haar arm te koste zou gaan. Ze was onder de indruk van de tamheid van de dieren om haar heen; apen en herten vermijden normaal gesproken mensen, maar in haar geval leken de dieren ongevoelig, mogelijk omdat ze niet wisten wat mensen waren. Ze bleef voorzichtig en hoopte dat er hulp zou zijn.

De overtocht over de rivier en de redding

Na tien dagen zonder eten was Juliane extreem zwak geworden en viel in slaap aan de oever van een rivier. Toen ze wakker werd, zag ze een verlaten boot liggen. Eerst dacht ze dat ze hallucinaties had, maar ze kroop er naartoe omdat ze te zwak was om snel te bewegen. Vanuit de boot vond ze een pad dat omhoog leidde naar een hut en een vat met diesel. Haar vader had haar geleerd om te handelen bij verwondingen door de brandstof uit het vat te zuigen en over haar wond te gieten, wat ze toen deed. Het brandde verschrikkelijk, maar het bracht de maden aan de oppervlakte en ze kon ze verwijderen.

Ze probeerde ook kikkers te vangen, maar wist dat ze giftig waren. Ze dacht erover om de boot te gebruiken om hulp te zoeken, maar wilde die niet stelen. In plaats daarvan besloot ze nog een nacht in de hut door te brengen.

Hulp uit de lokale folklore

In die regio waren de mensen gelovig en geloofden in watergeesten genaamd Yemanja, die volgens de folklore bleek en blond waren, in tegenstelling tot de meeste bewoners. Toen de bosarbeiders Juliane vonden, dachten zij dat ze een watergeest was. De mannen verzorgden haar en gaven haar voor het eerst sinds tien dagen voedsel. De volgende dag brachten ze haar met een boot naar een nabijgelegen dorp, vanwaar ze naar Pucallpa vloog om met haar vader herenigd te worden.

De nasleep en latere leven

De aanwijzingen van Juliane waren voldoende om de autoriteiten naar de crashplek te leiden, waar ze de slachtoffers konden identificeren, inclusief haar moeder. Van de 91 mensen aan boord was zij de enige overlevende. Als verlegen tiener werd ze overweldigd door de publieke belangstelling voor haar verhaal. Ze ontving talloze brieven van over de hele wereld. Tijdens langere nachtmerries geloofde ze dat haar overleving haar verder zou achtervolgen en dat ze zich afvroeg waarom anderen het niet hadden overleefd.

Een onthulling die haar nog lange tijd zou achtervolgen, was dat haar moeder ook de crash had overleefd, maar zwaar gewond was geraakt en niet kon bewegen. Ze stierf enkele dagen later. Julianes verdriet om haar moeder was groot en moeilijk te bevatten. Ze woont nu in München, waar ze als bibliothecaris werkt en in 1987 haar doctoraat in de zoölogie behaalde, met als specialisatie vleermuizen. Na haar studie keerde ze terug naar Peru om haar onderzoek voort te zetten en haar proefschrift te publiceren. In 1998 werd een fictiefilm over haar overleving gemaakt door de Italiaanse regisseur Giuseppe Maria Scotese. Haar verhaal herinnert aan dat van Vesna Vulović, een Joegoslavische stewardess die bij een explosie uit een vliegtuig viel van 10 km hoogte zonder parachute.